e.4. Hermanus Pieter VAN DER WESTHUIZEN, ged. 28/06/1795

e.4.  Hermanus Pieter, geb. c. 1795, George, ged. 28/06/1795 x 14/04/1816, George met Maria Magdalena ROELOFSE, ged. 12/09/1797, oorl. voor 23/12/1717,  d.v. Balthasar Johannes Roelofse en Elizabeth Magdalena du Plessis xx 05/04/1818, Graaff-Reinet met Johanna Jacomina BEZUIDENHOUT, ged. 06/12/1802, d.v. Jeremias Jesaias Bezuidenhout en Martha Jacoba Venter. 21 met ma se dood

Hermanus Pieter was die seun van Pieter van der Westhuizen en Susanna Cornelia Steyn.



Testator(s):
Maria Magdalena Roelofse
Hermanus Pieter van der Westhuijzen
MOOC8/63.28a
23 December 1817
Inventaris mitsgaders tauxatie van alle zodanige goederen en effecten als er ab intestato metter dood zyn ontruimd ende nagelaten door Maria Magdalena Roelofse ten voordeele harer overgeblevene man den burger Hermanus Pieter van der Westhuijzen ter eenre en hunne by den anderen in echt verwekte eenige minderjarige dogter, met naame
Magdalena Elizabeth van der Westhuijzen oud 1 jaar
ter andere zynde
invoegen als het een en ander ter presentie van de burgers Matheas Jacobus le Roux, A:H: Smith en de veld: L:J: Botha zyn opgenomen en in geschrifte gebragt, mitsg:s door ons onderget: gecomm: Weesmeesteren geinventariseerd en getauxeerd in maniere als volgt
Rd:s
een tavel
8
zes stoelen
36
een bed met zijn toebehooren
40
een koffer
8
een wagen kist
12
een zadel en toom
40

Beestiaal
Rd:s
drie rydpaarden
210
drie aanteelpaarden
60
thien trekossen
200
drie en dertig aanteel beesten
330
derthien aanteel schaapen
13
acht en twintig aanteel bokken
21

Crediten des boedels
Rd:s
Rd:s
van zynen vader Pieter van der Westhuizen over aan hem contant geleende
234:--
van zynen stief vader nu wylen David Hercules Botha het vaderlyk erfdeel van wylen zyne huisvrouw voorm: M:H: Roelofse door haare moeder Elizabeth Magdalena du Plissies ter Weeskamer acte van den 7 April 1813 aan haar beweezen
666:32
900:32
Over zulx den boedel zuiver rendeert
Rd:s1878:32
Wordende alhier promemoria genoteerd dat de overleedene uit den by de Weeskamer g’administreerd wordende boedel van haare stiefvader David Hercules Botha nog competeerd haar moederlyk erfdeel, waarvan door hem by liquidatie des boedels aan opgem: zyne minderjarige dogter nader bewys zal worden gedaan.
Aldus g’inventariseerd en getauxeerd ter Weeskamer aan de Kaap de Goede Hoop op den 23 Decemb:r 1817 ende zulx op het op en aangeeven van de in den hoofde deezes gem: weduwenaar, dewelke verklaarde zig hierinne ter goeder trouwe gedragen en met zyn weeten niets verzweegen of terug gehouden te hebben van al het geen tot den boedel en nalatenschap behoord, invoegen hy dan ook betuigde de deugdelykheid zynen opgave ten allen tyde des vereischt wordende met solemneele eede nader te bevestigen, en verdere belofte zoo hierna nog iets tot gez: nalatenschap behoorende mogte worden ontdekt, daarvan nader en getrouwlyk ter Weeskamer opgaaf te zullen doen ten einde deeze inventaris daarmeede kan worden g’emplieerd.
In teeken der waarheid is deeze ter presentie van ons gecommitteerde Weesmeesteren ende my Adjt: Commis der Weeskamer door de inventarient eigenhandig onderteekend.
Als gecomm: Weesm: A:V: Bergh
Voor den opgaaf: H:P: van der Westhuysen P: soon
Mij present: P:E: Faure, Adj:t C: